ARCHEOLOGIEBELEID.

 

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Gemeenten zijn verplicht een archeologiebeleid op te stellen. In het archeologiebeleid wordt de verhouding tussen archeologie en ruimtelijke ontwikkeling vastgelegd.

In 2008 is de “Startnotitie archeologiebeleid, gemeente Brielle”. Met de startnotitie is de fundamentele keuze gemaakt niet alle bodemverstoringen met archeologie te confronteren, maar archeologisch onderzoek te concentreren op locaties die, gelet op de omvang en/of de archeologische verwachting, een bijdrage kunnen leveren aan de bewoningsgeschiedenis van Brielle en/of de regio.

In 2009 is de startnotitie uitgewerkt in het “Beleidsplan archeologie gemeente Brielle - Koers vastgelegd”. Met het beleidsplan wordt een archeologische (onderzoek)verplichting gesteld die wetenschappelijk zinvol, maatschappelijk acceptabel en bestuurlijk verantwoord is. De gestelde archeologische (onderzoek)verplichting wordt op een praktische wijze verankerd.

 

 

ARCHEOLOGISCHE KARAKTERSCHETS VAN DE GEMEENTE.

 

Het landschap van de gemeente Brielle is vooral gevormd in het Holoceen (vanaf 9000 voor Christus). De basis is echter al in het Late Pleistoceen ten tijde van de IJstijden gelegd. Het gebied was vanaf de oudste tijden snel vochtig en was lange tijd, vanaf het Mesolithicum tot en met de Bronstijd (periode 9000-800 voor Christus), waarschijnlijk ongeschikt voor permanente bewoning. Pas in de periode van de IJzertijd (800 voor Christus – 0) en de Romeinse tijd was het veengebied dermate ontwaterd dat er bewoning kon plaatsvinden. De zee bleef echter regelmatig haar invloed uitoefenen, ook in de latere perioden van de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, waarin men steeds beter in staat was de zee onder controle te houden.

 

De oudste archeologische vindplaatsen dateren uit de IJzertijd. Het betreft vrijwel uitsluitend nederzettingsresten.

 

In de Romeinse tijd neemt de bewoning in Brielle iets toe. Dit past in het landelijke beeld dat we hebben van deze periode. Voor het eerst ontstaan er steden, al liggen die voor Brielle wel op enige afstand, zoals Forum Hadriani (onder het huidige Voorburg). De afstand wordt wel korter doordat er wegen worden aangelegd, waarbij ook de rurale gebieden worden ontsloten. Uit Brielle zijn 28* vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend. Het betreft in alle gevallen landelijke nederzettingen. Het is niet helder of hierbij ook sprake is van de resten van een (proto-)villacomplex. Een villa was een herenboerderij waaromheen land, voorraadschuren, het onderkomen voor het personeel en de stallen voor het vee lagen. Dit type complex ontstaat door directe Romeinse invloed. De inheemse nederzettingen zijn meer een voortzetting van het patroon zoals dat in de IJzertijd al ontstond van enkelvoudige boerderijen met schuurtjes of spiekers, soms omgeven door

een omheining. Soms is sprake van enige concentratie van boerderijen. Vaak is dit ingegeven door de aard van het landschap, bijvoorbeeld een serie boerderijen op een inversierug. Hierbij is echter niet altijd eenduidig of de boerderijen contemporain dan wel opvolgend zijn. Er dient rekening mee te worden gehouden dat in de Romeinse tijd het landschap net als in de voorgaande perioden nog voor rituele deposities werd gebruikt.

(* De recent, eind 2008, gevonden Romeinse vindplaats op het land van Piek is hierin nog niet meegenomen, de vindplaats wordt nog nader onderzocht.)

 

Uit de Middeleeuwen is het hoogste aantal vindplaatsen bekend. De op nationale schaal gemeten zeldzame periode van de Vroege Middeleeuwen is ook in Brielle zeldzaam, deze is met slechts 3 vindplaatsen vertegenwoordigd. De Late Middeleeuwen is veel ruimer vertegenwoordigd met een aantal van 102. Bij de laatste periode gaat het deels om nog steeds bestaande locaties, zoals de dorpskernen met kerk en om een kasteelterrein. In ieder geval gaat het in vrijwel alle gevallen om nederzettingssporen.

 

De 44 vindplaatsen uit de Nieuwe Tijd zijn in de meeste gevallen voortzettingen van de nederzettingen uit de Late Middeleeuwen. De toename van het aantal vindplaatsen is te verklaren doordat de mens steeds beter in staat is het landschap naar zijn hand te zetten. Voorheen onbruikbare locaties blijken met enkele aanpassingen wel geschikt voor bewoning. Bovendien is de toename van de gemiddelde bevolking er ook debet aan dat steeds meer grond in gebruik wordt genomen voor wonen en werken.