De negentiende eeuw; de stad heeft het moeilijk

 

Het gemeentelijk jaarverslag van 1852 vermeldt dat de scheepswerf, gelegen nabij het Slagveld – de wijk met nu onder meer het stadskantoor – ‘weinig werk bood’. In de daaropvolgende jaren verslechterde de situatie.  De scheepswerf deelde in de economische malaise die de stad leed en waarvoor al in de vijftiende eeuw, met de afdamming van de Goote, de kiem was gelegd. De haven verzandde en Brielle verloor gaandeweg haar positie als belangrijke Zuid-Hollandse handelsstad. Grote zeewaardige schepen werden er niet meer gemaakt, op een enkele binnenschuit en het verrichten van kleine reparaties na. Ook de Franse overheersing, eind achttiende eeuw, had de stad geen goed gedaan. Brielle trok zich terug binnen haar (ruime) vestingjas. Gelukkig maar, want mede daardoor is de eeuwenoude vestingstad bewaard gebleven. Het historische patroon van de vestingstad is, vergeleken met de kadastrale kaart van 1820, in de voorbije kleine 200 jaar nauwelijks gewijzigd.  

 

Een belangrijke tegenslag in de negentiende eeuw voor Brielle was de aanleg van de Nieuwe Waterweg. Pieter Caland, ingenieur van Rijkswaterstaat, was in Brielle gestationeerd en deed onderzoek naar een betere scheepvaartverbinding tussen zee en Rotterdam. Het Kanaal door Voorne, daterend uit 1831, was te smal en te ondiep geworden voor de steeds grotere stoomschepen. Caland stelde voor om een nieuw kanaal te graven, dwars door de duinen van Hoek van Holland. Voor Brielle betekende dit plan het einde van de haven: op de Brielse Maas zou de scheepvaart verdwijnen en de loodsdienst zou worden verplaatst naar Maassluis. Ondanks protesten werd tussen 1866 en 1872 de Nieuwe Waterweg gegraven, waarna Briellenaren nog lang spraken van ‘Caland, de moordenaar'.

Ook het toenemende verkeer op de weg had grote gevolgen. Om ruimte te maken werd in 1894 de Waterpoort en in 1900 de Zuidpoort afgebroken. Van de Waterpoort resteert alleen nog de poortwachtershuis aan het Maarland Noordzijde. Het wegennet op Voorne-Putten kreeg pas echt een impuls door de aanleg van de Groene Kruisweg, een tweebaansweg die Brielle met Rotterdam verbond. In augustus 1934 werd de aanleg hiervan afgerond.

Na de opening van de Nieuwe Waterweg had Brielle geen strategische positie meer, want schepen voeren niet langer langs de stad. In 1882 vertrok het garnizoen. De stad kreeg er echter het Korps Torpedisten voor terug. Twee jaar later werd aan de kop van de Maarlandse Haven een sloepenloods gebouwd, en aan de Lijnbaan een magazijn. In 1922 werd de standplaats van het korps alweer verplaatst naar Gorinchem, zodat de opleving slechts van korte duur was. In de jaren dertig werden de wallen door de gemeente overgenomen van het rijk en deels ingericht als wandelgebied en deels verhuurd aan een boer.

Vanaf de laatste kwart van de negentiende eeuw verdwenen steeds meer instellingen uit Brielle.

Op 15 mei 1877 werd de rechtbank opgeheven, zodat Briellenaren daarvoor voortaan naar Rotterdam moesten uitwijken. In 1863 had de stad nog aan de Tweede Kamer verzocht de standplaats in Brielle te behouden. Ze wendden de slechte bereikbaarheid van de stad als argument aan, evenals als het gevaar dat door het vertrek van de rechtbank een flink aantal panden leeg zouden komen te staan.

In 1884 werd de Bank van Leening opgeheven. De bedragen die door de lommerd werden uitgeleend waren de voorgaande jaren flink gedaald en de gemeenteraad besloot daarop een commissie te benoemen die onderzoek zou doen naar instandhouding van de instelling. Uit het rapport van de commissie bleek dat de lagere standen zichzelf steeds beter konden bedruipen en dat spaarbanken de functie van leenbank hadden overgenomen. Bovendien speelde schaamte om spullen bij de lommerd te brengen en de klacht dat men te weinig geld ontving eveneens een belangrijke rol. Op 1 november besloot de raad dan ook tot opheffing.

Met verschillende bedrijven verging het niet veel beter. De vishal werd in 1858 afgebroken, want de aanvoer van vis was te klein geworden en de functies van keurmeester, afslager en vismarktcommissaris waren reeds lange tijd onvervuld gebleven. Zonder visafslag was de vishal niet langer noodzakelijk. In 1866 werd de in 1852 gestichte Calicot- of katoenfabriek, staande op het Pieterskerkhof stilgelegd. Het bedrijf had aan maar liefst 72 man werk verschaft.  Een paar jaar later, in 1869, stopte de productie in de jeneverstokerij ‘Het Gekroonde Hart' en de naastgelegen bierbrouwerij langs het Scharloo. Hierdoor verdwenen opnieuw arbeidsplaatsen. In 1882 brandde de stellingmolen Het Vliegend Hert af en in 1895 werd de zoutkeet - waar zout werd gewonnen uit turf - opgeheven. Als opvolger voor de molen werd de voormalige Bagijnenkapel ingericht met een machinale maalderij.

Toch werden er ook nieuwe initiatieven ontplooid. In 1896 verrees aan het Slagveld een kalkbranderij. Zo'n 75 jaar lang zouden de acht karakteristieke schoorstenen van de kalkovens het silhouet van Brielle domineren. Aanvankelijk vonden er vijf mensen werk, maar in de loop der jaren werd het fabriekscomplex uitgebreid. In 1906 kwam er bijvoorbeeld een zandsteenfabriek bij, waar 30 mannen aan de slag konden.

In 1896 werd ook de eerste steen gelegd voor de stoomzuivelfabriek De Eersteling, op het Scharloo. Veertig boeren hadden zich in een coöperatie verenigd en konden hun producten over een groter gebied gaan afzetten. In 1927 werd het bedrijf overgenomen door Galak, een Rotterdamse concurrent.

Met de toenemende industrialisatie kwamen er nieuwe bedrijfjes. De gebroeders Van der Knoop bouwden in 1906 een modern graanpakhuis aan het Scharloo, en in 1910 werd er een tweede aan de Kaaistraat neergezet, met stallen waar paarden van de winkelende boeren uit de omgeving gratis konden worden gestald.

In 1909 werd de oude gasfabriek in de Dijkstraat vervangen door een nieuwe fabriek aan het Slagveld en in 1924 vestigde zich aan de Langestraat een concurrent: een elektriciteitsbedrijf. Hiertegen moest de gasfabriek het tenslotte afleggen. Er kwam in 1910 een nieuw veilinglokaal, dat in 1930 werd uitgebreid en in 1918 werd een houthandel opgericht. Tal van bedrijven kwamen op en verdwenen weer. Een conservenfabriekje en koekenbakker hielden het hoofd slecht korte tijd boven water.