Het magische klokgeluid

Toon Barmanszoon en het magische klokgeluid

Verhaal voor kinderen in de toren verteld op het vertelfestival 2013

Door Anouk van Zijll & Roy de Bruijn

Vandaag nemen wij jullie driehonderd jaar mee terug in de tijd. Het was een prachtige zomerse dag in Brielle. Het zonnetje scheen, er was geen wolk aan de lucht, de vogeltjes floten, de bomen waren gevuld met prachtige groene bladeren en de mensen waren… nee, de mensen waren helemaal niet gelukkig! De bakker zat met een ontevreden gezicht onderuitgezakt in een stoel, de slager snauwde tegen zijn knecht en de kapper stond met zijn kam in de hand te huilen in de deuropening. Wat een ellende! Zo’n mooie dag, maar zoveel ongelukkige mensen, hoe was dat in hemelsnaam mogelijk? Het maakte niet uit waar je liep, overal was iedereen boos, gierig, verdrietig, lui en ongelukkig. Iedereen, behalve één jongen.

Deze jongen heette Toon, Toon Barmanszoon. Hij was de zoon van een barman, zoals zijn naam misschien al verklapt. Zijn vader was hele dagen druk in de weer, omdat zijn café elke dag overvol was. Nou, het was vooral Toon die druk in de weer was, want hij moest van vader allerlei klusjes doen. Meestal rolde Toon grote en zware vaten met Briels bier van de andere kant van de stad naar het café van zijn vader. Zelfs op deze zonnige en snikhete dag kreeg Toon van zijn vader de opdracht een groot vat bier naar het café te rollen.

Toon had er natuurlijk geen zin in, maar hij moest zijn vader gehoorzamen, anders zou hij de komende drie maanden in de schuur moeten slapen tussen alle muizen. Toen Toon eenmaal aan de andere kant van de stad was beland en net aan zijn terugreis begon met het grote vat bier, werd hij opeens overdonderd door een vreemd klokgeluid. Het was niet zomaar een klokgeluid, nee, het was een heel mooi, plechtig en wonderschoon geluidje. De kerkklok kon het niet zijn, want die was zwaar en trilde heel lang na. Toon had dit speciale geluid nog nooit eerder gehoord en besloot het vat bier achter te laten en te achterhalen waar het vandaan kwam.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want waar kwam het toch vandaan? Had Toon zich misschien vergist en was het gewoon de fluit van een schip? Waren het misschien de klokjes in het gras? Of was iemand gewoon mooi aan het fluiten? Toon liep werkelijk de hele nieuw gebouwde vesting af, klom over allerlei hekken, klom zelfs in bomen voor beter zicht, maar allemaal tevergeefs. Toon vroeg verschillende inwoners van Brielle of ze ook dat mooie geluid hadden gehoord, maar iedereen verklaarde hem voor gek en hij kreeg allemaal chagrijnige antwoorden, zoals ‘Ophoepelen, ga iemand anders zijn tijd verspillen, nozem!’ Toon begreep niet hoe het kwam dat niemand het geluid hoorde.

Hij was moe, gaf de hoop op en besloot even uit te rusten bij de Brielse Dom, daar kwam hij graag. Net toen Toon wilde neerploffen in het bloemenperk voor deze St. Catharijnekerk hoorde hij het geluid opeens heel helder. Hij spitste zijn oren en…ting! Het geluid kwam kennelijk wél uit de klokkentoren! Hij sloop de kerk in en beklom al die tientallen traptreden tot aan de klokkenzolder, zoals jullie ook hebben gedaan.

Plotseling…BOING…schrok hij zich een hoedje. Het was 1 uur, dus de grote klok sloeg; gelukkig maar eenmalig. Af en toe stopte Toon onderweg om zijn oren te spitsen en te luisteren; het geluid zou nu toch weer moeten komen! Uiteindelijk bereikte hij de klokkenzolder. Hij stapte binnen en schrok zich rot toen hij een stem hoorde, die zei: ‘Ah, daar ben je dan, mijn jongen.’ Het was de stem van een oude man, aan zijn baard te zien leek hij wel ouder dan 100.

‘Wie, wie, wie bent u?’ vroeg Toon de onbekende man. ‘Ik heet Barend Blut; met wie heb ik het genoegen?’ ‘Ik ben Toon, Toon Barmanszoon. Ik kwam af op dat mooie geluid; weet u daar misschien meer van?’ ‘Jazeker,’ zei Barend opgewekt, ’dat mooie geluid maakt deze kleine bel.’ Barend Blut haalde uit zijn zak een klein gouden klokje en hield het voor de neus van Toon. ‘Het is een magisch klokje,’ zei Barend. Toon gniffelde: ‘Een magisch klokje? Wat voor magie zou zo’n klokje dan kunnen bevatten?’ ‘Het is geen grap, beste jongen. Jaren geleden heb ik de verschillen tussen de armen en de rijken doen verdwijnen. De armen werden rijk, niemand kwam daarna nog iets tekort. Helaas zijn alle mensen zo ontzettend lui, gierig en ongelukkig geworden door al die rijkdommen. Zo zie je maar weer wat rijkdom met de mensen kan doen.’

‘Maar wat heeft dit te maken met de magische klok?’ vroeg Toon ongeduldig. ‘Rustig, wees wat geduldiger, ik ben ook de jongste niet meer.’zei Barend vriendelijk, ‘Dit gouden klokje bevat de kracht dat het een heel wonderschoon geluid laat horen, maar enkel aan gelukkige, niet-luie mensen. Jij bent de enige gelukkige in deze stad, Toon; bovendien ben jij sterk van al het rollen van de biervaten, dus je kunt mij mooi helpen, je komt eigenlijk letterlijk als geroepen.’

‘Helpen?’ vroeg Toon verbaasd, ‘En hoe weet u van de biervaten?’ ‘Ik zie jou vanuit deze domtoren altijd in de weer met die zware vaten. Jouw vader is te lui om die klusjes zelf op te knappen. En wat het helpen betreft, zie je daarboven die lege plek?’ Barend wees naar boven. ‘Op die plek hing een magische klok, die met elke klingel geluk over de Briellenaren verspreidde. Hij is sinds korte tijd gestolen, maar jij bent de aangewezen persoon om de klok terug te vinden. Ik ben veel te oud om al die trappen op en af te lopen; bovendien zou ik die klok nooit de trap op kunnen krijgen, maar jij wel, want jij hebt enorm veel kracht door het zware werk dat je voor je vader verricht. Als je de klok vindt, worden de mensen weer gelukkig; dat is voor jou ook wel wat gezelliger, vind je niet?’

Toon gaf Barend gelijk en zegde toe op zoek te gaan naar de verdwenen klok. Hij liep de trappen weer af en ging op weg naar huis. De moed zonk hem nu wel een beetje in de schoenen. Hij moest de magische klok vinden, maar waar moest hij in hemelsnaam beginnen met zoeken? Brielle was tenslotte groot en wie zegt eigenlijk dat de klok nog in Brielle ligt verstopt? Toon liep terug naar het achtergebleven biervat en rolde die terug naar huis, naar de kroeg van zijn vader. Hij had het idee om zijn vader het verhaal uit te leggen en te vragen of hij zou weten waar Toon moest beginnen met het zoeken.

Zoals altijd was het café stampvol; honderden mensen kwamen om hun verdriet weg te drinken met liters bier en wijn. Onderuitgezakte chagrijnige mannen en vrouwen zaten er hele dagen om over vanalles en nogwat te klagen; zelfs het mooie weer bleek niet goed genoeg voor deze zeikerds. Ondertussen dronken ze er flink op los. Gelukkig had Toons vader het daardoor erg druk in het café: dat was dan weer een voordeel van alle ellende.

‘Zo, wat bleef je lang weg, waar heb je uitgehangen?’ snauwde vader. ‘Nou, vader, dat is een heel verhaal. Ik was op weg naar…’ ‘Ja, ik heb geen tijd in die slechte verhaaltjes van je. Sterker nog, jij hebt daar geen tijd voor, je hebt nog meer te doen, ga aan het werk!’ beet vader toe. Toon kreeg de kans van vader niet om dat wat hem die middag was overkomen te vertellen; vader had geen interesse.

Toon ging eerst een stukje wandelen om moed te verzamelen om weer aan het werk te gaan. Al wandelend dacht hij na over waar een klok verstopt zou kunnen zijn. Hij liep langs een school en bedacht zich dat scholen natuurlijk ook een klok hebben om iedereen te laten horen dat de schoollessen gaan beginnen. Misschien dat de magische klok er ook zou liggen. Toon ging de school binnen en doorzocht alle lokalen, de schoolkeuken en zelfs de zolder, maar alles zonder resultaat, de klok was nergens te bekennen.

Het zat Toon dwars. Waar moest hij nu zoeken? Ja! De klok zou natuurlijk ook op een boot in de haven kunnen liggen, dus hij snelde naar de haven. Helaas bleek dat zojuist de laatste boot vertrok, het was de periode van het jaar dat de vissers en handelaren de zee weer op gingen om geld te verdienen. Nu alle boten weg waren, kon Toon natuurlijk ook nooit weten of de klok op een van de boten zou liggen.

Na enkele uren zoeken was Toon doodmoe, hij had werkelijk heel Brielle afgestruind: de Nobelstraat, de Voorstraat, het Maarland, enzovoorts, maar telkens leverde de zoekacties niks op. Vol van verdriet en teleurstelling keerde hij terug naar huis. Het was inmiddels schemerig en hij had absoluut geen zin om bij zijn vader in de kroeg te hangen. Hij liep door naar de achtertuin en ging even op het bankje zitten om bij te komen van de zware dag. Plotseling viel zijn oog op het schuurtje achterin de tuin. Er hing een groot slot aan, en dat terwijl hij zich dat slot helemaal niet kon herinneren. Wat gek… Zou vader soms iets te verbergen hebben? Toon liep erheen en friemelde aan de deur, maar die zat natuurlijk muurvast. Hij werd nu wel erg nieuwsgierig naar wat er in het schuurtje zou liggen. Hij probeerde met al zijn brute kracht het slot open te breken. Gelukkig was hij zo sterk geworden door al het werk dat hij voor zijn vader heeft gedaan, waardoor hij het slot vrij snel opengebroken had.

De deur viel piepend open. Het was donker in de schuur, dus zijn ogen moesten even wennen. Na een paar minuten viel zijn oog op een groot wit laken dat iets leek te bedekken. Hij tilde de punt van het laken op en kon zijn ogen werkelijk niet geloven. De klok, de magische klok van de Brielse Dom, lag in de schuur van zijn eigen vader. Wat doet die daar in hemelsnaam?

Het liefste zou Toon zijn vader die vraag stellen, maar hij wist zeker dat zijn vader volledig over de rooie zou gaan en geen antwoord zou geven. De kerk was al dicht, het was namelijk al donker buiten, dus Toon besloot de klok de volgende morgenvroeg naar de klokkenzolder te tillen. Voor nu hing hij het slot op zo’n manier terug dat het niet te zien was dat het was opengebroken. Hij dook het bed in en viel snel in een diepe slaap, moe van de hele dag zoeken.

De volgende morgen vroeg ging Toon naar de schuur. Hij hoorde zijn vader zelfs buiten snurken, dus hij kon in alle rust de klok vervoeren. Dit bleek nog niet eenvoudig, hij was namelijk erg zwaar, zoals Barend Blut al had verteld. Dan te bedenken dat Toon straks met die klok al die traptreden op moest klimmen! Ach, het was voor een goed doel.

De kerkdeuren waren al open, maar er was nog niemand, behalve de dominee natuurlijk. Nu maar hopen dat hij Toon niet zou zien. Toon probeerde langs hem te sluipen, maar de dominee merkte Toon op en zei ‘Jongeman, wat moet dat hier op de vroege morgen? Scheer je weg!’ De dominee keerde Toon zijn rug toe en liep weg, waardoor Toon alsnog stiekem de trap naar de klokkenzolder kon bereiken. De trap beklimmen ging niet zonder moeite; het leek wel een eeuwigheid te duren. Elke twintig treden moest Toon zeker wel vijf minuten uitrusten. Uiteindelijk bereikte hij de klokkenzolder; de klok paste nog maar net door de smalle deur.

Barend was dolgelukkig om Toon terug te zien met de magische klok op zijn rug. ‘Waar heb je de klok gevonden?’ vroeg Barend opgewekt. ‘In de schuur van mijn eigen vader. Ik snap nog steeds niet waarom de klok in zijn schuur lag, maar ik kon het hem niet vragen, dan had hij mij natuurlijk nooit met de klok laten gaan,’ zei Toon. ‘Wees gerust, als de klok eenmaal hangt en weer geluid kan worden en iedereen weer gelukkig is, zal je vader het een en ander vast wel willen uitleggen,’ zei Barend geruststellend. Met veel moeite lukte het Toon om de magische klok weer terug te hangen op zijn eigen plek. ‘Je zult als je beneden komt direct merken hoe gelukkig iedereen weer is,’ verzekerde Barend Toon.

Barend bedankte Toon uitvoerig en bij benedenkomst kon Toon het verschil inderdaad erg goed zien. Hij kwam de dominee weer tegen, die zei ‘Ah, jongeman, wat fijn om jou hier op de vroege morgen te zien, welkom!’ De bakker floot het hoogste lied, de knecht kreeg van de slager een schouderklopje en zelfs een glimlach toegeworpen en de kapper was weer druk in de weer; er stond een lange rij vrolijke mensen voor zijn winkel.

Toon kwam thuis, zijn vader wachtte hem op in de deuropening, met zijn handen in zijn zij. De kroeg was helemaal leeg, enkel de dorpsgek zat nog in zichzelf pratend aan de bar. ‘Wat heb je gedaan, oen?’ vroeg zijn vader boos. ‘Mijn kroeg zat stampvol mensen, omdat die klok niet meer geluid kon worden, aangezien ik hem had gestolen en in de schuur had gelegd. En kijk nu eens! De klok luidt weer, de mensen zijn weer gelukkig, maar ik heb vrijwel geen klanten meer! Het klinkt gek, maar ik voel mij er best wel gelukkig onder, dat komt vast door die klok,’ zei zijn vader glimlachend.

De kroeg moest gesloten worden omdat niemand meer verdriet had om weg te drinken. Vader besloot om zijn oplichterij goed te maken met de Briellenaren: voortaan luidde hij elk uur de magische klok, zodat iedereen in Brielle gelukkig kon blijven. Zo had Barend Blut ook weer wat gezelschap. En Toon? Die werd klokkenmaker, dus die kon eindelijk doen wat hij zelf graag wilde, zonder al die bevelen van zijn vader op te moeten volgen.