Spreekwoorden

Spreekwoorden met klokken

Als de klokken van Rome slaan, blijft je gezicht zo staan: wordt gezegd tegen kinderen die een lelijk gezicht trekken.

Van klok noch klepel weten: geen erg in de tijd hebben, niet weten hoe laat het is; figuurlijk: van iets totaal geen verstand hebben.

Klinken als een klok: luid, ver in het rond; het is duidelijk, niets op aan te merken.

Een stem als een klok: een ver dragende, zware stem.

Een grote klok opzetten: uit alle macht schreeuwen.

Hij heeft een goede klepel: zie boven.

Op de klok kijken: ergens het oog op richten.

De klok terugzetten: terugkeren tot een vroeger tijdperk.

Hij is een man van de klok: hij is altijd precies op tijd.

Tegen de klok werken: zo hard mogelijk werken om nog op tijd klaar te zijn.

De klok rond: 12 uur achtereen.

Weten wat de klok slaat: weten waarover gesproken wordt.

Het is alles wat de klok slaat: alles wat men hoort of ziet; alleen maar dat, waarover gesproken wordt.

Alles op de klok laten gaan: precies op tijd, alles is stipt in orde.

Dat gaat erin als klokspijs: wordt met gretigheid gegeten (klokspijs is metaal voor het klokkengieten).

Dat is klokspijs voor hem: dat valt hem zeer gemakkelijk.

Iets bij klokslag bekend maken: oproeping van het rechtsgebied van stad of dorp.

Klokslag 4 uur: 4 uur precies.

Kwade klok, kwade klepel, kwade pot, kwade lepel: als ouders niet deugen, dan zijn de kinderen ook slecht.
Die maar één klok hoort, hoort maar één toon: luister naar beide partijen.