|
Algemene omschrijving
DIRECTEURSWONING, gebouwd in 1920. Traditionalisme.
Bouwvergunningen: 7 april 1920. De woning vormt een karakteristiek onderdeel van de Plantage.
De Plantage omvat voornamelijk individueel ontworpen, vooral vrijstaande woningen, doorgaand bestaande uit een hoofdbouwmassa van één of twee bouwlagen met kap en lagere al dan niet aan de hoofdbouwmassa vast verbonden bijgebouwen. De woningen dateren merendeels uit de dertiger jaren van de twintigste eeuw. Karakteristiek zijn de wit geschilderde gestuukte gevels en de grote daken met rode pannen. De woningen hebben kenmerkende detailleringen als glas-in-lood, roedevensters, erkers, doorlopende dakvlakken etc. De wijk is ruim in het groen gesitueerd. De woningen worden aan de voorzijde vaak afgeschermd door grote groen hagen en coniferen.
Redengevende beschrijving
(het pand werd tijdens de opname intern verbouwd; de beschrijving kan derhalve op punten afwijken van de huidige situatie)
Het woning bezit een T-vormige plattegrond in twee respectievelijk drie bouwlagen, waarvan één in de kap. De gevels zijn opgetrokken in donker roodbruine baksteen in kruisverband. Boven de gevelopeningen zijn steens hanekammen toegepast. De dakvlakken van de zadeldaken zijn gedekt met rode VOH-pannen. De voorgevel bestaat uit een hoge topgevel rechts en een terugliggend een verdieping lager gedeelte links onder een zadeldak met de nok loodrecht op die van het zadeldak op het hogere bouwdeel. In de oksel tussen beide gedeelten is de entree gesitueerd.
Onder een ter plaatse dieper doorlopend dakvlak is de gevel vooruitgeschoven in de lijn van de gevel van het hogere bouwdeel. In dit geveldeel bevindt zich een vensteropening met een tweelicht met vierruits ramen. Links hiervan is met het dakoverstek, dat rust op een houten kolom op een gemetseld keermuurtje, een overdekt portaal gevormd Aan het portaal grenst de deuropening, waarin een kozijn met een deur met een dicht onderpaneel en een vierruits bovenpaneel. In het gevelvlak links naast de entree bevindt zich een vensteropening met een kozijn met een ongedeeld onderraam en een vierruits bovenraam. In het dakvlak staat een dakkapel met een plat dak, waarin aan de voorzijde een tweelicht met vierruits ramen. In de nok staat een kleine gemetselde schoorsteen.
Het lage geveldeel wordt beëindigd met het dakoverstek, waar aan de zinken mastgoot is bevestigd. De rand van het dieper doorlopende gedeelte van het dak is afgewerkt met een gelijst boeiboord. De begane grond van het hoge gedeelte is deels uitgebouwd met een erker, waarvan het grondvlak een segmentboog vormt. Op een gemetselde borstwering staat een drielicht, dat de grondvorm van de erker volgt. Het drielicht bezit ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. De erker wordt beëindigd met de dakrand van het platte dak, die als vlakke kroonlijst is gedetailleerd. Op de verdieping bevindt zich een drielicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. De geveltop is voorzien van een beschieting van verticaal verwerkte houten delen, waarvan de onderrand per deel verspringt.
Dit motief wordt herhaald ter hoogte van de bovenregel van het tweelicht in de top. In het tweelicht bevinden zich twee zesruits ramen. De topgevel wordt beëindigd in het dakoverstek op klossen, afgewerkt met een gelijst boeiboord. De linker zij(top)gevel is symmetrisch van opzet met op de begane grond aan beide zijden een vensteropening met een drielicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen.
Op de verdieping bevinden zich twee tweelichten met achtruits ramen. De geveltop is voorzien van een beschieting van verticaal verwerkte houten delen, waarvan de onderrand per deel verspringt. Dit motief wordt herhaald ter hoogte van de bovenregel van het tweelicht in de top. In het tweelicht bevinden zich twee zesruits ramen. De topgevel wordt beëindigd in het dakoverstek op klossen, afgewerkt met een gelijst boeiboord.
De achtergevel bestaat uit een hoge topgevel links en een één verdieping lager gedeelte rechts onder een zadeldak met de nok loodrecht op die van het zadeldak op het hogere bouwdeel. In het lage gedeelte op de grens met het hoge gedeelte bevindt zich de achterdeur. De deuropening bezit een kozijn met een deur met een dicht onderpaneel en een vierruits bovenpaneel. Rechts hiervan bevindt zich een kleine vensteropening met een kozijn met een ongedeeld raam.
In het dakvlak staat een dakkapel met een plat dak, waarin aan de voorzijde een drielicht met zesruits ramen. Het lage geveldeel wordt beëindigd met het dakoverstek, waar aan de zinken mastgoot is bevestigd. Tegen het lagere gedeelte staat een kleine uitbouw in één bouwlaag met plat dak. In de gevels daarvan is een kleine vensteropening met een ongedeeld raam opgenomen. De begane grond van het hoge gedeelte bezit een drielicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. Op de verdieping bevindt zich een tweelicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. De geveltop is voorzien van een beschieting van verticaal verwerkte houten delen, waarvan de onderrand per deel verspringt.
Dit motief wordt herhaald ter hoogte van de bovenregel van het tweelicht in de top. In het tweelicht bevinden zich twee zesruits ramen. De topgevel wordt beëindigd in het dakoverstek op klossen, afgewerkt met een gelijst boeiboord. De rechter zijgevel bezit op de begane grond aan de linker zijde een deuropening met in het kozijn dubbele deuren met elk een twaalfruits glaspaneel. Aan de rechter zijde is de gevel deels uitgebouwd met een driezijdige erker. In de hoeken van de erker steken de baksteenkoppen om en om door de hoek heen.
Aan de voorzijde bezit de erker een tweelicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. In de schuine zijden bevindt zich een enkel venster met een gelijke indeling. De erker vormt de basis voor een balkon op de verdieping, dat wordt begrensd door de hoger opgetrokken gevels van de erker. Aan het balkon grenst op de verdieping een deuropening met een kozijn met een achttienruits glaspaneel.
Op de verdieping aan de linker zijde bevindt zich een tweelicht met ongedeelde onderramen en vierruits bovenramen. De gevel wordt beëindigd met het dakoverstek, waar aan de zinken mastgoot is bevestigd. In het dakvlak staat een dakkapel met een plat dak, waarin aan de voorzijde een tweelicht met zesruits ramen. Intern is van belang de houten trap met bewerkte trappaal en de vrije leuning op bewerkte balusters.
De DIRECTEURSWONING is van monumentaal belang vanwege de architectonische opzet en detaillering van met name het exterieur en de beschreven onderdelen van het interieur, die goed bewaard zijn gebleven. Van belang als complex met het naastgelegen schoolgebouw (nummer 7). |